|
Roofvogels broedend in Nederland: soorten en aantallen De roofvogelstand in Nederland is naar verhouding nauwkeurig bekend. Zelfs in het verleden werden al heel behoorlijke schattingen en tellingen uitgevoerd (al zijn de schattingen van sommige soorten, zoals Torenvalk, voor de jaren zeventig en beginjaren tachtig te laag). Onderstaand overzicht is gebaseerd op: Bijlsma R.G. 1993. Ecologische atlas van de Nederlandse roofvogels. Schuyt & Co., Haarlem. Bijlsma R.G. 1999. Trends en broedresultaten van roofvogels in Nederland in 1998. De Takkeling 7: 6-51. Bijlsma R.G., Hustings F. & Camphuysen C.J. 2001. Algemene en schaarse vogels van Nederland (Avifauna van Nederland 2). GMB Uitgeverij, Haarlem & KNNV Uitgeverij, Utrecht. SOVON. Vogelonderzoek Nederland. 2002. Sovon atlas van de Nederlandse broedvogels: verspreiding, aantallen, verandering. Nationaal Natuurhistorisch Museum Naturalis, Leiden/KNNV Uitgeverij, Utrecht/European Invertebrate Survey-Nederland, Leiden. In het verleden zijn geregeld schattingen van de Nederlandse roofvogelpopulatie gemaakt (samenvatting in Bijlsma 1993). De stand van bijna alle soorten heeft zich wonderwel hersteld van de klappen opgelopen in de jaren vijftig en zestig (zie Tabel). Daar bovenop hebben de meeste soorten blijk gegeven van een geweldig aanpassingsvermogen. Bosbewonende roofvogels broeden tegenwoordig ver buiten de bosgebieden. De opmars van Havik, Sperwer, Buizerd en Boomvalk in de jaren tachtig en negentig is een sprekend voorbeeld. Nooit eerder in de 20ste eeuw hebben deze soorten zo’n ruime verspreiding gehad, zowel ruimtelijk als wat habitatkeus betreft. Zelfs de Wespendief, een bosvogel pur sang, beweegt zich schoorvoetend richting binnenduinrand. Van de kiekendieven laten Bruine en Blauwe Kiekendief eveneens een succesvol herstel zien sinds de jaren zeventig. De Bruine Kiek is in de laaggelegen delen van Nederland een weinig kieskeurige soort geworden die zich op ‘onmogelijke’ plekken weet te vestigen. Ook de Blauwe Kiek is toegenomen, zij het dat zijn succes zich naar de Waddeneilanden heeft verplaatst; het vasteland is vrijwel ontruimd (op de Oostvaardersplassen en incidenteel andere plekken na). Van de valken heeft de stand van de Torenvalk een opwaartse zwiep gekregen in de periode 1988-90, toen zeer goede veldmuisjaren elkaar opvolgden na de bijna een decennium durende lage muizenstand. In combinatie met enkele zeer zachte winters leverde dat hoge reproductiecijfers en goede overlevingskansen op. De Boomvalk bereikte in de jaren tachtig zijn hoogtepunt, zowel in aantallen als in verspreiding. Voor de Slechtvalk zette zich in de vroege jaren negentig een nieuwe trend in, met vestiging in nestkasten op industriële bouwwerken. Kortom, voldoende reden tot tevredenheid, ware het niet dat de cijfers inmiddels alweer achterhaald zijn. Aantal geschatte paren van Nederlandse roofvogels in verschillende periodes sinds de jaren zeventig (naar Bijlsma 1993, Bijlsma et al. 2001, SOVON 2002). De boven- en onderklassen vormen de spreiding binnen de betreffende periode.
De jaren negentig vormden de aanzet tot een omkering van de trend bij Blauwe Kiekendief, Havik, Torenvalk en Boomvalk. De Blauwe Kiekendief heeft het moeilijk op de Waddeneilanden; reproductiecijfers lopen terug, minder paren broeden succesvol en de stand daalt. Omdat het hier waarschijnlijk een gesloten populatie betreft (geen uitwisseling met andere populaties), mogen we aannemen dat deze ontwikkeling doorgaat. Daarmee loopt de Blauwe Kiekendief het risico de Grauwe Kiekendief achterna te gaan: existeren op de rand van het bestaan (althans in Nederland). Dat risico loopt de Havik niet, zij het dat deze soort het minder makkelijk heeft dan veel mensen willen doen geloven. In bossen op zandgrond hebben Haviken heden ten dage te kampen met een sterk verminderde prooimassa, vooral van prooien in de gewichtsklasse van 100-500 gram. Op een aantal plaatsen vertaalt zich dit in dalende reproductiecijfers en een dalende stand, een trend waarvan het eind nog niet in zicht is. Ook de Torenvalk heeft het moeilijk. Achteraf gezien zijn de jaren 1988-90 uitzonderlijk geweest. Op de zandgronden van Nederland is deze voorheen talrijke soort vrijwel verdwenen. In het afgelopen decennium is de stand van de Torenvalk in Nederland bijna gehalveerd. De zwaarste klappen zijn gevallen op de zandgronden, voornamelijk als gevolg van veranderd grondgebruik (graanverbouw verdwenen, dominantie van maïsteelt, omzetting van grasland naar kunstweide, regelmatig scheuren van grasland, verdroging; alle leidend tot afname van muizen). Voeg hierbij de toegenomen onveiligheid als gevolg van de aanwezigheid van Haviken (valken nestelend op kraaiennesten zijn hun leven niet zeker). Enig soelaas wordt geboden met het ophangen van nestkasten (soort op veel plaatsen afhankelijk van nestkasten), maar dat kon niet voorkomen dat Torenvalken in grote delen van het land schaars zijn geworden. Dat laatste is nog veel duidelijker bij Boomvalken. Er zijn op dit moment vrijwel geen gebieden meer in Nederland waar op een oppervlak van 100 km² gemakkelijk 20-30 nesten zijn te vinden (een score die in 1974-85 op de ZW-Veluwe bijvoorbeeld jaarlijks werd gehaald). Boomvalken moet je tegenwoordig met een lantaarntje zoeken. De ijle verspreiding maakt het lastig om te komen tot zinvolle steekproeven bij populatie-onderzoek. Zodoende weten we nog steeds niet precies wat er gaande is. In bosgebieden op zandgrond lijkt de Havik een dikke vinger in de pap te hebben (predatie, onveiligheid), maar de afname van potentiële boomvalkprooien (zwaluwen, leeuweriken, mussen) kan een factor van betekenis zijn.
Dit brengt ons bij de weinige soorten die in de jaren negentig een onverdeeld positieve ontwikkeling te zien gaven: Buizerd en Slechtvalk. Bij die laatste staat de groei overigens nog in de kinderschoenen. De situatie in Duitsland en België voorspelt echter veel goeds. We mogen aannemen dat Slechtvalken zich het komende decennium een vaste positie in de Nederland weten te verwerven. De Buizerd ontpopte zich als verreweg succesvolste roofvogel. Dertig jaar geleden was het nog een schaarse bosbewoner, tegenwoordig zijn minieme bosjes, parken, houtwallen, eendenkooien en zelfs solitaire bomen voldoende om zich te vestigen. Net als bij de Torenvalk zorgden de muizenrijke jaren 1988-90 voor een groeistuip. In tegenstelling tot de Torenvalk is de Buizerd daarna onverdroten doorgegaan met kolonisatie van nieuwe broedgebieden en toeneming in bestaande broedgebieden. Dit kon alleen vanwege zijn weinig gespecialiseerde prooikeus, omdat afhankelijkheid van Veldmuizen (zoals de Torenvalk demonstreert) in het aftakelende Nederlandse boerenland niet bepaald een voorwaarde voor succes betekent. De Grauwe Kiekendief, tenslotte, handhaaft zich op een precair niveau van enkele tientallen paren, voornamelijk in Groningen en Zuidelijk Flevoland. Dit is alleen mogelijk door actieve nestbescherming en samenwerking tussen boeren, grasdrogerijen en vogelaars. Immers, Grauwe Kiekendieven broeden tegenwoordig bijna allemaal in landbouwgewassen (waaronder luzerne, wintertarwe). Deze nesten zouden verloren gaan indien ze niet tijdig zouden worden opgespoord. Tijdens de oogst worden deze nesten uitgespaard, zodat de jongen kunnen uitvliegen. Meer informatie over Grauwe Kiekendieven is te vinden op: www.sovon.nl
|